het was moeilijk om mezelf overal in te vinden
want ik was nergens te bekennen

stiekem dacht ik aan wat mijn lippen al die tijd kapotscheurde
het was scherper dan een vleesmes, geloof ik
het bloed roder dan de verse blaadjes van de roodste klaproos

ik zou kunnen zeggen dat ik verdwaald was
het zand onder mijn zolen te korrelig
ik viel en haalde me open aan iets
misschien, heel misschien
wel aan mezelf

want ik was vlijmscherp
kon zelfs de dikste huiden doorboren
en ik bleef me maar afvragen
waarom ik me zoveel dingen afvroeg

Vergeten gedachtes
Wervelend langs de flanken van mijn broze gezicht
Ik was denk ik verdoofd en
Ietwat vergeten hoe het smaakte
Mijn papillen ingeruild voor een bodenloze zee waar
Duizend schepen in konden vergaan want
Aan wal komen was onmogelijk voor degenen
Die wilden proeven van de taart van het leven

Oh nee, mijn verhaal is nog niet afgelopen. Ik moet het zien als een soort reis en nu neem ik een rustpauze - een lange, dat wel - maar geen seconde is te lang om uit te vogelen wat je denkt te moeten uitvogelen, want serieus, op dit moment ben ik denk ik de verkeerde broodkruimeltjes gevolgd, maar goed. Misschien moet ik maar helemaal geen broodkruimeltjes meer volgen en mijn eigen weg door het zand sloffen. Dat, misschien. Ik lach er soms om, maar vaak genoeg wordt er ook gehuild. En dat mag ik eigenlijk niet zeggen, want ik wil niet dat iemand dat doorheeft. Want echt, zo ben ik niet. Ik ben nu niet. Misschien ben ik later, maar nu niet. Kan iemand weer op play drukken, alsjeblieft?

Op slapeloze nachten als deze voelde ik me nog wel het meest kwetsbaar. Het brandde een beetje als ik in ademde en de vlammen werden een klein beetje getemd als ik weer uit ademde. Maar volledig doven zou het niet.

Ik sneed mijn tong, maar wat ik proefte was niet mijn eigen bloed. Het had een scherpe smaak, alsof een bliksemschicht het oppervlak van mijn smaakpapillen geraakt had. Ook dat brandde, maar niet voor eeuwig.

Hoe kon ik iets accepteren dat ik niet eens begreep, vroeg ik me af. De verschillende gezichten deden hun maskers af en staarden mij met stenen ogen aan. Hun irissen waren feller dan ooit. Maar het bleef stil. Ik kreeg geen antwoorden.

Ik zag vlinders met zwarte vleugels langs me heen vliegen toen ik mijn ogen opende. Het was alsof de draad half was door geknipt. Mijn benen waren niet snel genoeg en ik werd mee getrokken. Alweer.

Hallo, ik weet niet wat ik schrijven moet. Ik ben een beetje vergeten hoe ik dat moet doen. Het ligt een beetje begraven omdat ik bang ben dat het eruit zal komen. Makes sense.

College in a nutshell

Goes to class: Teacher repeats the same damn thing again. Nothing important happens.

Misses one class: The cure to cancer is created, Waldo is found, AIs took over, the second coming of Jesus Christ took place and the Fire Nation attacked.

Ik had een droom waarin de straatstenen warm waren en de randen hier en daar ongelijk. De straten waren smal en de dakpannen zagen er vanaf mijn ooghoeken fel gekleurd uit. Misschien zelfs iets te fel, maar ik vond het alleen maar fijn. In tegenstelling tot de omgeving waren de gezichten lang en de mondhoeken naar beneden getrokken. De glans uit hun ogen was spontaan verdwenen, alsof een enorme vloedgolf alle edelstenen uit het zand had weggespoeld. Ik vroeg me af waarom. De rode kar kraakte en rommelde en de jongen (of was het een meisje??) achter de kar keek met lege ogen langs me heen, alsof ik slechts een verloren stofdeeltje in de lucht was. Misschien was ik dat ook wel. In ieder geval…  ik herinner me nog dat ik zei dat het grote gat die de mensen in jou maakten niet voor altijd zou blijven. Je zou hem altijd zelf kunnen opvullen, zonder de hulp van anderen. Want de enige persoon die jou redden kan ben jijzelf.

wow i’m so picky for an ugly person

(Bron: vocaroo, via s-chneeweisschen)

Ik lik met mijn tong langs de scherpe kantjes van het bestaan en ik snijd me.

Het zakt door me heen, alsof mijn lichaam is gemaakt van pure lucht. Rokende wimpers, smeulende ogen, krakende vingers. Ik voel hoe de koude stromen veranderen in vloeiend levensvloeistof en het lest mijn dorst beter dan iets ooit gedaan heeft. Het brandt, het steekt, het prikt, het scheurt. Het schreeuwt, het gilt, het fluistert, het zucht. Ik geloof dat mijn binnenste uit elkaar knalt, want ik weet bijna zeker dat ik leef. Bijna.

Er zit bliksem in mijn hoofd.